aandeel
Verhandelbaar bewijs van mede-eigendom van een onderneming.

beleggen
Het aanbieden van geld op de vermogensmarkt met de bedoeling een opbrengst te verkrijgen.

consumentenprijsindex
(= CPI) Maatstaf voor inflatie. Het CPI geeft aan hoeveel procent de kosten van levensonderhoud in een jaar hoger zijn dan in het basisjaar.

consumeren
Het kopen van goederen en diensten door gezinnen (particuliere consumptie) en overheid (overheidsconsumptie) om in bestaande behoeften te voorzien.

dividend
Winstuitkering aan aandeelhouders van een onderneming.

Gini-coëfficiënt
Getal tussen de 0 en 1 om de mate van scheefheid in inkomensverdeling weer te geven. Getal dat inkomensverschillen of vermogensverschillen weergeeft. Het wordt berekend door oppervlakte tussen de lorenzcurve en de diagonaal van (0,0) tot (100,100) te delen door de oppervlakte tussen deze diagonaal en de assen.

huur
Beloning voor de productiefactor kapitaal. Vergoeding voor of inkomen uit verhuur gebouwen of andere goederen.

inflatie
Stijging van het algemeen prijsniveau.

inkomen uit vermogen
kapitaalinkomen

intertemporele ruil
(= ruilen over de tijd) Besteding van nu verschuiven naar besteding in de toekomst (= sparen) of besteding in de tijd naar voren halen (= lenen). Geld verdienen en geld uitgeven gebeuren in verschillende periodes.

kapitaalinkomen
Inkomen verdiend uit sparen en beleggen. De optelsom van winst uit aandelenbezit, rente uit het uitlenen van spaargeld, pacht uit verhuur van grond en huur uit verhuur van gebouwen.

koopkracht
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen (of een euro) kunt kopen. Reële waarde van het budget.

nominale waarde
(= extrinsieke waarde) Waarde die op een munt of een bankbiljet vermeld staat.

obligatie
Verhandelbaar bewijs van deelneming in een geldlening aan bedrijven of de overheid met een vaste rente en vaste looptijd.

pacht
Vergoeding voor of inkomen uit het verhuren van grond, beloning voor de productiefactor natuur (grond).

reële waarde
Reële waarde: (= koopkracht) De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen, je vermogen of je euro’s kunt kopen.

rendement
Opbrengst van het belegde vermogen in aandelen en obligaties, meestal uitgedrukt in procenten van het belegde vermogen.

rente
Vergoeding voor spaargeld of leengeld. De prijs van geld. De beloning die betaald moet worden voor het lenen van geld en die ontvangen wordt voor het uitlenen van geld. (= interest) Beloning voor de productiefactor kapitaal.

risico-aversie
Een hekel hebben aan het lopen van risico, uit angst voor onverwachte nadelige gebeurtenissen.

ruilen over de tijd
(= intertemporele ruil) Consumptie van nu verschuiven naar consumptie in de toekomst of omgekeerd. Geld verdienen en uitgeven gebeurt in verschillende periodes.

sparen
Het niet uitgeven van een deel van het inkomen. Het niet consumeren van een deel van het inkomen.

tijdsvoorkeur
De voorkeur van huidige consumptie boven toekomstige consumptie.

vermogen
Bezittingen minus schulden.

vermogensrendementsheffing
Heffing over het fictief rendement van het vermogen.

winst
Winst uit eigen zaak; dat is de beloning voor ondernemerschap vanwege het ondernemingsrisico dat de ondernemer loopt. Valt onder arbeidsinkomen. Winst uit aandelenbezit. Valt onder kapitaalinkomen. Het verschil tussen de totale opbrengst (TO) en de totale kosten (TK). Zie ook Totale Winst (TW)

*